Toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten

Wat is deze toeslag?

Wanneer je langdurig ziek of arbeidsongeschikt bent, kan je recht hebben op een sociale toeslag. Concreet gaat het over de volgende gevallen:

  • Werkneemster in bevallingsrust
  • Ziekte-uitkering
  • Invaliditeitsuitkering
  • Uitkering voor beroepsziekte
  • Vergoeding voor arbeidsongeval
  • Persoon met een beperking met een beroep
  • Persoon met een beperking zonder beroep

Vanaf de zevende maand met een uitkering heb je recht op een bijkomende toeslag onder volgende voorwaarden:

  • Als de kinderen deel uitmaken van het gezin van de zieke of invalide en deze leeft alleen, mag het totale gezinsinkomen niet hoger liggen dan € 2.432,97 bruto per maand.
  • Als de zieke of invalide samenwoont met een partner, mogen de inkomsten samen niet hoger liggen dan € 2.512,11 bruto per maand.
  • Als de kinderen deel uitmaken van het gezin van de andere ouder dan de zieke of invalide mag deze ouder geen gezin vormen en mag het inkomen niet hoger liggen dan € 2.432,97 bruto per maand. Het inkomen van de zieke of invalide telt dan niet mee.

De wachttijd van 6 maanden geldt niet als je een invaliditeitsuitkering ontvangt of als je een persoon met een handicap bent zonder beroep.

Wie heeft recht op de toeslag?

Als langdurig zieke of als arbeidsongeschikte heb je recht op de toeslag voor:

  • de kinderen in jouw gezin,
  • de (stief)kinderen die bij hun andere (stief)ouder wonen,
  • de geplaatste kinderen, onder bepaalde voorwaarden.

Je moet rekening houden met een aantal voorwaarden:

  • Als de kinderen deel uitmaken van het gezin van de langdurig zieke of arbeidsongeschikte en die leeft alleen, mag het totale gezinsinkomen niet hoger liggen dan € 2.432,97 bruto per maand.
  • Als de langdurig zieke of arbeidsongeschikte samenwoont met een partner, mogen de inkomsten samen niet hoger liggen dan € 2.512,11 bruto per maand.
  • Als de kinderen deel uitmaken van het gezin van de andere ouder dan de langdurig zieke of arbeidsongeschikte mag deze ouder geen gezin   vormen en mag het inkomen niet hoger liggen dan € 2.432,97 bruto per maand. Het inkomen van de langdurig zieke of arbeidsongeschikte telt dan niet mee.
  • Als de kinderen bij de andere ouder wonen, dan vervalt het recht op de sociale toeslag van zodra er een partner of andere persoon die geen familie is tot en met de derde graad in het gezin komt wonen.

Wanneer ontvang je de toeslag?

De toeslag wordt toegekend vanaf de zevende maand van de ziekte of arbeidsongeschiktheid. Let op, de kinderbijslag wordt telkens maar de maand nadien uitbetaald. De wachttijd geldt niet voor invaliditeitsuitkeringen en personen met een beperking zonder beroep.

Als je voor een bepaalde maand recht hebt op de toeslag, blijft dat recht bestaan voor de rest van het kwartaal en voor het volgende kwartaal.

Als je opnieuw gaat werken kan je het recht op de toeslag nog maximaal 8 kwartalen behouden op voorwaarde dat je gezinsinkomen lager is dan het grensbedrag.

Hoe vraag je de toeslag aan?

Voor een voorlopige toekenning van de toeslag, gebruik je het formulier S.

De toeslag wordt voorlopig toegekend op basis van het maandelijks bruto-inkomen: dat inkomen vind je op je loonfiche.

  • Als je alleen leeft met de kinderen en je bruto-inkomen is hoger dan het grensbedrag € 2.432,97 bruto per maand, dan kom je voorlopig niet in aanmerking voor de toeslag.
  • Als je samenwoont met een partner en je bruto-inkomen is hoger dan het grensbedrag € 2.512,11 bruto per maand, dan kom je voorlopig niet in aanmerking voor de toeslag.

Is het lager, dan kan je een aanvraag indienen met formulier S .

Welke inkomsten moet je wel vermelden op het formulier

  • uitkeringen voor werkloosheid of na faillissement, uitkeringen voor ziekte en voor bevallingsrust, uitkeringen voor arbeidsongevallen en voor beroepsziekten, (brug)pensioenen en groepsverzekeringen
  • lonen (ook dienstencheques)
  • PWA-cheques
  • vakantiegeld
  • netto-inkomsten als zelfstandige (netto belastbaar inkomen x 100/80)
  • opvanguitkeringen voor onthaalouders betaald door de RVA.

Voor vrijwilligerswerk geldt een speciale regeling. Uw kinderbijslagfonds kan u daarover meer informatie geven.

Welke inkomsten moet je niet vermelden op het formulier?

  • kinderbijslag
  • alimentatie
  • leefloon
  • maaltijd- en ecocheques
  • tegemoetkomingen voor hulp van derden, hulp aan bejaarden, integratietegemoetkomingen voor gehandicapten, tegemoetkomingen van de Vlaamse zorgverzekering
  • onkostenvergoedingen voor onthaalouders betaald door Kind en Gezin
  • forfaitaire vergoedingen voor de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen
  • achterstallen die betrekking hebben op een vorig jaar
  • verbrekingsvergoedingen en vervroegd vakantiegeld

Wijzigt er iets aan je gezinssituatie of je inkomen? Laat dat dan zeker weten aan je kinderbijslagfonds.

Ontvang je de toeslag voor langdurig zieken of invaliden niet en denk je dat je er recht op hebt? Contacteer dan zeker je kinderbijslagfonds.

Hoeveel bedraagt de toeslag?

De toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten bedraagt:

Kind Bedrag
Eerste kind € 102,88
Tweede kind € 29,64
Derde en volgende kind € 5,20

Als de ouder die het kind opvoedt ook in aanmerking komt voor de eenoudertoeslag, verschilt enkel het bedrag voor het derde en volgende kind. Voor dat kind bedraagt de toeslag € 23,90

De leeftijdsbijslag voor het oudste kind wordt bij gezinnen die recht hebben op een sociale toeslag niet gehalveerd of geblokkeerd.

Voorbeeld
Nils en Anneleen zijn uit elkaar en hun twee kinderen wonen bij Anneleen. Zij woont alleen en verdient minder dan het grensbedrag. Sinds maart is Nils ziek en ontvangt hij een ziekte-uitkering. In september bereikte Nils zijn zevende maand ziekte. Vanaf oktober (betaling in november) ontvangt Anneleen de sociale toeslag.